Hallo mensen. (Komen hier nog weleens mensen?) Vandaag gaan we hier PivotX installeren. Dat levert hopelijk genoeg inspiratie op om hier weer dagelijks een stukje te schrijven. Mocht u zich in de tussentijd verschrikkelijk vervelen, kijk dan eens hier of hier.
Tést. Tèst.
Ok?, het is zover. Het nieuwe huis, de bedaarde Slowaken, de meneer die tegen de projectleider zei dat hij mij ging bellen om mij met mijn gedrag te confronteren (en vervolgens nooit belde, waardoor ik dagenlang tot mijn tanden toe bewapend naar mijn telefoon zat te staren, in een soort van doodsangst, nou ja, dat ook weer niet, maar toch wel een beetje angstig, want ik heb echt een hekel aan confrontaties en zeker als het om confrontaties met mijn eigen gedrag gaat), het afscheid van de leukste wijk van Utrecht en tevens mijn moedervlek (was niks mee aan de hand trouwens) en dan ??k nog eens de mensen die naar mijn huis komen kijken en dan met een bedenkelijk gezicht over de hoeveelheid inbouwkasten beginnen (ok?, die heb ik niet), plus daarbovenop mijn vriend die zaterdag weer naar de andere kant van de wereld vertrekt, ik geloof dat het me allemaal teveel wordt.
Ik doe dingen. Ik zeg dingen. Ik hoor dingen. Dingen die niet de bedoeling zijn. En die soms echt een beetje raar zijn. Ik heb het gevoel dat ik niet meer in control ben over zaken die ik normaal zonder er al te diep over na te denken heel goed kan aansturen, zoals mijn ledematen. Of neem nou bijvoorbeeld mijn kaken. Afgelopen dinsdag nam ik tijdens de vergadering slash luxe lunch een grote hap van mijn ciabattabroodje en daarbij kauwde ik zonder dat ik dat wilde zo hard op mijn tong dat ik het hoorde kraken en de tranen in mijn ogen sprongen. Ik riep nog auw, maar niemand merkte er wat van. Later verscheen er een grote bobbel op mijn tong die ik de hele tijd met mijn tong probeerde aan te raken, maar dat ging dus niet omdat hij op mijn tong zelf zat. Mijn collega dacht aan de worsteling die zich in mijn mond afspeelde te zien dat ik stiekem dropjes zat te eten en vroeg verontwaardigd waar ik die vandaan had. Ja, dan letten ze opeens wel op, he.
Ik wilde een verhaal vertellen over het liefdesleven van iemand die ik lange tijd niet gesproken had, maar het kwam volledig verkeerd mijn mond uit. Eerst had ze een vriend, maar dat is uitgegaan, wilde ik zeggen. Ik zei: eerst had ze een vriend, maar die was uitgewoond. Ik schrok er zelf van! Alsof er een soort externe kracht mijn tong bestuurde (misschien had het iets met die bobbel te maken) zei ik zonder dat ik het zelf ook maar zag aankomen iets heel grofs en onbehoorlijks, en dat terwijl ik jarenlang heb gebouwd aan het imago van de keurigste freelancer die er in het pand rondloopt. Nou, dat is dus ook in een klap weggegooid. De monden van mijn collega’s vielen open. ‘Uitgewoond?’ vroegen ze. ‘Dat wou ik helemaal niet zeggen!’ zei ik. ‘D?t had ik van jou niet verwacht,’ zei een collega met een teleurgestelde kraak in zijn stem. ‘Ik ook niet, hoor’ zei ik bedremmeld, om nog maar te redden wat er te redden viel.
‘Goed he, de bevrijding van Betancourt,’ zei mijn collega toen we terug naar huis reden. ‘De bevrijding van de witte koe?’ vroeg ik verbaasd.
Steeds als ik door mijn straat loop, of naar de supermarkt ga, of op mijn bank zit, of in mijn tuin zit, of in mijn keuken in de pannen sta te roeren, kortom de hele tijd, word ik overvallen door een gevoel van ehm, spijt. Ik woon in de leukste wijk van Utrecht en eerlijk gezegd ook in het leukste huis van Utrecht. Maar ik ga naar een ander huis en een andere wijk.
Een groepje bedaarde Slowaken doet dingen in mijn huis. Ze schilderen, timmeren en maken mijn bad weer heel. De Slowaken zijn heel interessant. Ze hebben witte pakken aan en voeren dus heel bedaard en gestaag hun werkzaamheden uit, zonder iets te zeggen. Soms, volkomen onverwacht, zegt er eentje wel wat. In het Slowaaks, dus niet te verstaan. Dan moeten de anderen een paar seconden keihard lachen en dan hervatten ze hun werk, bedaard en gestaag.
‘Slowaken? Waarom niet gewoon Polen?’ vroeg iemand mij. Dat weet ik zelf ook niet precies. Maar mijn huis wordt heel mooi en dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.
‘Ik ga even voor je op de knie?n,’ zei de doktersassistente en ze plukte zo de hechtingen uit mijn buik.
Bij de lift stond een stapel dozen en bij onze nieuwe flexvlek stonden vier kasten. De kasten zaten tot de nok toe vol met stoffige mappen. En stofmappen. En ongeordende stapels papier. De bedoeling was dus dat die kasten weggingen, zodat wij meer ruimte zouden hebben voor onze inspiratie en dergelijke. Daarom moest de inhoud van de kasten ?n de dozen. En wie moesten dat doen? Wij.
Mijn collega had al een paar keer ge?rriteerd achterom gekeken. Daar stonden de kasten nog steeds. Vol met mappen, stofmappen en stapels papier. Af en toe maakte ze een gebaar met haar handen naar de kasten, om te checken of ze misschien ongemerkt magical powers had ontwikkeld die zich speciaal richtten op het verhuizen van mappen naar dozen. Je weet nooit. Maar de mappen bleven onverstoorbaar in de kasten staan in al hun stoffigheid.
Mijn collega zuchtte. Ze draaide een rondje op haar bureaustoel. En toen ??n de andere kant op, omdat je heel duizelig kunt worden als je steeds dezelfde kant opdraait. Ze stond op en gaf iedereen de evil eyes, ik denk vooral voor de vorm. Mijn andere collega?s tiepten nog eens een woordje. ?Okeeeee, dan doe ik het zelluf weeeeeeeeel,? riep mijn collega dramatisch uit. Mijn andere collega?s bleven sto?cijns naar hun beeldscherm staren. Maar ik niet. Ik ben heel gevoelig voor drama.
Ik vouwde een doos tot doos. ?Komen jullie ook even helpen,? zei ik. Niemand reageerde. Boven de hoofden van sommige collega?s verscheen een wolkje waarin stond: Ik ben gekke Henkie niet. Ik oefende wat met mijn eigen evil eyes. ?Nou ja, hoeft niet hoor,? zei ik toen semi-onbewogen. En ik legde een ongeordende stapel papieren op de bodem van de doos.
Het viel mij op dat op erg veel mappen Herman stond. Weken had er ook een uitgeknipte krantenkop aan de muur gehangen die luidde: Het beest Herman. Nu pakte ik een stapel papier waar bovenop een geeltje zat geplakt waarop stond: Herman. En een half volgeschreven notitieblok waarop ook al Herman stond. Die Herman, dacht ik. Wat is het toch een beest.
Op ??n map stond Herman III. Misschien werkten er op de afdeling die hier eerst zat verschillende Hermannen, dacht ik. Misschien heette de hele afdeling wel Herman. Mocht je daar alleen komen werken als je Herman heette. Bij ons is het juist precies andersom. Om verwarring te voorkomen mag je alleen nog bij ons komen werken als je een aparte naam hebt die weinig voorkomt. We zijn bijvoorbeeld nog op zoek naar iemand die Woenk heet en er ook uitziet als een Woenk.
?De mannen moeten de dozen wegzetten,? zei mijn collega met haar evil eyes. Mijn mannelijke collega?s bleven sto?cijns naar hun beeldscherm staren. E?n mannelijke collega stond op en zette een doos weg. Maar die werkt er ook nog niet zo lang.
De doos met spullen van Herman was vol. ?Hierop schrijf ik Herman,? zei ik. Toen keek ik mijn mannelijke collega?s aan met mijn beste evil eyes. Maar ze bleven sto?cijns naar hun beeldscherm staren, zelfs de nieuweling. ?Dan doe ik het zelluf weeeeeeel,? zei ik dramatisch en ik wierp mijn armen in de lucht. Maar dat hielp ook niet, dus toen deed ik het zelf maar. Met een ferme zwaai tilde ik de doos omhoog en liet hem ergens op mijn heupen landen.
Een ijselijke gil ontsnapte aan mijn lippen, vloog door het raam naar buiten en daalde neer op Utrecht. Mijn collega?s keken verstoord op van hun beeldscherm. Boven hun hoofden verschenen wolkjes met vraagtekens. ‘Wat?’ zei er eentje. ?Mijn hechtingen,? kermde ik zachtjes.
Kan ik nog terug, dacht ik in paniek. Ik keek achter me. Daar blokkeerden de dokter en de co-assistent de deur. De dokter glimlachte geruststellend, maar het kwam op mij eerder over als een beetje eng. De co-assistent glimlachte niet. Ze leek mij niet geheel ontspannen, maar misschien kwam dat doordat ze zo lang was.
Zij gaat natuurlijk het snijwerk doen, dacht ik. Want altijd als er in mij gesneden of geprikt moet worden gebeurt dat door iemand die het nog moet leren. Blijkbaar zie ik eruit als een goed oefenobject. Soms zegt zo iemand er van tevoren nog bij dat het er h??l moeilijk uitziet. Of dat het op een h??l vervelende plek zit. Daarom ben ik ook zo?n goed oefenobject.
Even later lag ik op mijn rug op de bank. De dokter en de co-assistent tuurden in opperste concentratie naar mijn moedervlek. ?Hmm,? zei de dokter. ?Hmm,? zei de co-assistent. De dokter pakte er een lampje bij om mijn moedervlek van alle kanten te belichten. De co-assistent boog nog iets dieper voorover alsof ze graag ook nog even aan mijn moedervlek wilde ruiken.
?Ok?,? riep de dokter. ?Even wat spullen verzamelen!? Het klonk alsof hij er opeens zin in kreeg. Waarschijnlijk was dit hun favoriete begin van de dag. Eindelijk even verlost van al die mensen die maar eindeloos door blijven mekkeren over hooikoorts. Of hun voorjaarsdepressie. Even lekker snijden in angstig vrouwenvlees.
Heb ik wel ontbeten, vroeg ik me af. Misschien was dit een goed moment om flauw te vallen. Of over te geven, over de voeten van de co-assistent. Gewoon om hun enthousiasme wat te temperen. En natuurlijk om te voorkomen dat er iets scherps in mijn vel werd gezet. Maar ik had niet ontbeten, dus overgeven zat er niet in.
De dokter gaf de co-assistent een spuit. Daarna hield hij twee blikkerende messen in de lucht. ?Wil je met een spitse punt of met zo?n rond uiteinde?? vroeg de dokter. ?Euhm,? zei ik. Maar hij vroeg het aan de co-assistent. ?Doe maar zo?n ronde,? zei de co-assistent.
Ze smeerde mijn buik in met jodium en prikte erin met de verdovingsspuit. ?Dit is eigenlijk het ergste,? zei ze vriendelijk. Ik kneep mijn ogen dicht. Ik veegde mijn handen af aan mijn T-shirt. Er drupte een traan in mijn oor. ?Viel best mee toch,? zei de dokter, alsof ik toch wel een beetje de partypooper van ons drie?n was.
?Heb je ook een pennetje voor me,? zei de co-assistent. In drie stappen stond de dokter bij zijn bureau en hij kwam even snel weer tevoorschijn met een balpen. Een pennetje is ook in dokterstaal gewoon een pennetje. De co-assistent tekende een rondje om mijn moedervlek. Daar voelde ik niks van, want mijn buik was verdoofd. ?Doe toch maar die spitse punt,? zei de co-assistent.
En daar kwam de dokter alweer aangehuppeld met het mes met de spitse punt. Om de lippen van de co-assistent verscheen een kleine glimlach. Ze pakte het mes aan met een gratie die niet helemaal bij haar paste. Ze keek even tevreden naar de dokter, toen naar mijn moedervlek en stak met vaste hand de het mes met de spitse punt diep in mijn buik.
Het ene moment liep ik nog zorgeloos van de supermarkt naar huis. Elegant zwierde ik de Super-tasjes heen en weer. Ik stapte vrolijk voort. Ik had op dat moment zelfs een deuntje kunnen fluiten, ware het niet dat mensen die deuntjes fluiten op zijn zachtst gezegd nogal eng zijn. Vaak blijken het achteraf psychopathische seriemoordenaars die zonder morele bezwaren hele families uitmoorden, denk bijvoorbeeld aan The Stepfather.
Maar mijn goede humeur kwam in de knel toen ik hem zag staan. Ik herkende hem niet meteen. Dat had een hint kunnen zijn. En inderdaad, al snel drong het me door: daar stond de jongen die ik nooit herken. Ik kom de jongen die ik nooit herken vaker tegen en telkens denk ik: waar ken ik hem toch van? En dan peins ik en pieker ik de hele weg terug naar huis, maar ik kom er nooit op.
Waarschijnlijk kom ik de jongen die ik nooit herken ook tegen op de plek waar ik hem wel herken. Waar hij de dingen doet die hij doet, in zijn natuurlijke habitat. Dat is dan waar ik hem van ken. Maar hoe vaak ik ook aan mijn hersenen heb gevraagd op zulke momenten even een notitie te maken voor later, de jongen die ik nooit herken blijft in zijn onherkenbare hoedanigheid opduiken. En nooit is er zo?n flits van: Hela ik weet het weer! Soms vraag ik mij af waar mijn hersenen zich ?berhaupt mee bezig houden op een doordeweekse dag.
Een lichte paniek sloeg toe. De afstand tussen mij en de jongen die ik nooit herken werd kleiner en kleiner totdat we slechts een paar millimeter van elkaar verwijderd waren. Een vaag ecologisch geurtje drong mijn neusgaten binnen. Er verscheen een blik van herkenning op het gezicht van de jongen die ik nooit herken. Terwijl ik zoveel mogelijk wederzijdse herkenning in mijn ogen probeerde te leggen, zei ik monter ?Hee hallo!? tegen de jongen die ik nooit herken. ?Jij ook hier!? liet ik er bijna op volgen, maar gelukkig zei ik dat niet hardop.
Intussen bad ik naar de hemel dat hij me niet staande zou houden voor een praatje. Waar moet je het over hebben met iemand die je niet herkent? Je kunt moeilijk zeggen ?Zeg, we groeten elkaar nu elke keer wel en dergelijke, maar wie ben jij eigenlijk?? Nou ja, kan wel, maar ik doe dat soort dingen eigenlijk nooit. De jongen die ik nooit herken groette mij hartelijk terug. Ik lachte nog eens vriendelijk naar hem, hield mijn pas iets in en liep toen toch verder. ?Prettig weekend!? riep hij nog. ?Ja, jij ook, h?!? zei ik en ik zwaaide nog wat met mijn Super-tasje naar hem.
Mijn hersenen projecteerden talloze vrienden van vrienden voor mijn geestesoog. Winkelpersoneel, collega?s, familie van collega?s, buren, barmannen en buitenlui trokken zich aan mij voorbij aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik probeerde puzzelstukjes als het vage ecologische geurtje, de piercing in zijn lip en zijn algehele uitstraling het beste voor te hebben met mensen, vogels en bloemen aan elkaar te breien. Even dacht ik aan Pipo de Clown, maar die is al heel lang dood.
Peinzend en piekerend sjokte ik voort. Somber zwaaide ik mijn Super-tasjes heen en weer. Mijn hersenen waren net begonnen de lange lijst vrienden van mijn broertje af te spelen, toen opeens alles op zijn plek viel. Een grote opluchting maakte zich van mij meester. Ik wist weer waar ik hem van kende. De lucht brak open en de vogels tsjilpten.
Ik werd gebeld op mijn mobiel door een oplichtster. Zo stelde ze zich niet voor, dus eerst dacht ik nog dat ik te maken had met een doorsnee telemarketeer. Zonder te informeren of ik ?berhaupt wel tijd had voor haar oplichterspraatjes begon ze vragen op me af te af te vuren. ‘Mevrouw heeft u een lening,’ vroeg de oplichtster. ‘Nee,’ zei ik trots, want ik ben al heel lang uit het rood en dat is zo’n fijn gevoel. ‘Heeft u dan een doorlopend krediet,’ ging de oplichtster verder. ‘Nee,’ zei ik nog steeds erg met mezelf ingenomen. (Ik heb wel een doorlopend krediet, maar dat staat op nul, dus dat telt niet. En liegen tegen telemarketeers is trouwens toegestaan.)
‘Mevrouw heeft u een creditcard?’ vervolgde de oplichtster. ‘Ja, dat wel,’ antwoordde ik. (Iedereen heeft toch zeker een creditcard. Hoe moet je anders aankopen doen op internet of in het buitenland.) ‘En heeft u op uw creditcard meer of minder dan 7000 euro krediet?’ vroeg de oplichtster. Toen begonnen er bij mij alarmbelletjes te rinkelen. (Minder natuurlijk, welke gek heeft er nu meer dan 7000 euro krediet op z’n creditcard? Weet je wel hoeveel rente je daarover betaalt.) ‘Zeg, ik heb helemaal geen zin om antwoord te geven op uw vragen,’ zei ik uit de hoogte. (Zo probeerde ik te klinken, maar ik kan dat helemaal niet zo goed, dus waarschijnlijk klonk het gewoon heel vriendelijk, zoals ik altijd klink.)
‘Mevrouw,’ zuchtte de oplichtster, ‘we zijn bezig met een onderzoek naar de rentestanden in uw regio.’ (Dat zei ze echt. Alsof de rentestanden regionaal bepaald worden, bedenk ik nu eigenlijk pas.) ‘Maar het gaat u toch niks aan wat ik met mijn creditcard doe,’ vroeg ik nog, omdat ik toch een beetje onzeker werd van haar agressieve benadering. ‘Mevrouw het is voor een onderzoek en het kost maar een paar minuten van uw tijd!’ zei de oplichtster nu behoorlijk ge?rriteerd, waarbij ze me het gevoel gaf dat ik echt de eerste was die ze de hele avond had gesproken die niet gewillig zijn hele financi?le situatie door haar liet uitpluizen.
‘Moet ik het veertig keer zeggen,’ zei ik. (Ja zeg, een beetje ge?rriteerd tegen mij gaan lopen doen, terwijl zij mij op mijn vrije avond probeert op te lichten.) ‘Ik heb geen zin om uw vragen te beantwoorden!’ Het was even stil aan de aan de andere kant van de lijn. Ik was benieuwd wat de oplichtster nu nog in haar script had staan om mij tot antwoorden te verleiden. ‘Ach, hoer!’ riep de oplichtster en ze smeet de haak erop.
Meteen realiseerde ik me dat ik ternauwernood was ontstapt aan vuige oplichterspraktijken. Als ik netjes haar vragen had beantwoord had ze waarschijnlijk meteen daarna naar mijn creditcardnummer en de expiratiedatum gevraagd en was ik binnen de kortste keren 7000 euro lichter geweest. (Ok?, hier kwam ik in werkelijkheid pas drie dagen later achter toen ik in het park in de zon dit gesprek nog eens naspeelde voor mijn vrienden, die zich al snel afvroegen of een echte telemarketeer kandidaten wel hoer mag noemen. Het lijkt mij inderdaad best een goeie reden om een telemarketeer te ontslaan, als ik telemarketeerbaas was.)
|
Toon berichten 1-8 van 470 |
Volgende Pagina »