Eenzaam zat ik aan mijn bureau. M’n ene collega was ziek. M’n andere collega was naar een meeting. En verder had ik even geen collega’s op dat moment. Wat zou ik eens gaan doen? Beneden cappuccino halen was een optie. Maar ik was al twee keer naar beneden geweest om een cappuccino te halen. Naar het toilet gaan was een optie. Maar ik moest niet zo nodig.
Misschien als ik nu eerst een cappuccino ging halen en dan naar het toilet. Intussen probeerde ik nadrukkelijk niet uit het raam te kijken. Uit het raam kijken = gevaarlijk. Vorige week had ik nog uit het raam gekeken en vervolgens klonk de rest van de dag Mamma Mia van Abba in mijn hoofd, vanwege een enorme poster aan de overkant van ongeveer negentien bij negentien. Reserveren 0900 300 5000 zing ik er sindsdien moeiteloos achteraan.
‘In 2005 hebben wij uitstekende resultaten geboekt,’ tiepte ik.
Dat vond ik wel een mooi begin. Een positieve benadering en niet al te bescheiden, daar hou ik van.
‘Maar..’ tiepte ik erachteraan. Want ik wilde dus ergens naar toe met mijn verhaal, h?. Het moest een mooi afgerond geheel worden, waarin alle bullets uit de briefing helder aan bod kwamen.
Maar wat, dacht ik. Wat kon ik hier nu nog aan toevoegen? Zijn uitstekende resultaten soms niet genoeg?
‘Maar onze focus ligt op de toekomst,’ tiepte ik.
Want zo is het tenslotte ook nog eens. Als je alleen maar een beetje gaat zitten opscheppen over vroeger, kom je nergens als bedrijf zijnde.
Toen vloog de deur open. Er stapte een man binnen. Hij had een zwart pak aan met een opvallend witte krijtstreep. Die pakken worden blijkbaar nog gemaakt. Om zijn nek bungelde een felroze stropdas. Wat ik over mannen met frivole stropdassen moet denken, ik weet het niet. Maar ik denk er vooralsnog over dat ze niet te vertrouwen zijn.
Met ferme tred stevende hij op een lege werkplek tegenover mij af. En het leek of hij toen pas mijn aanwezigheid opmerkte. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik me niet had verroerd of had geademd vanaf het moment dat de deur openvloog. Dat soort dingen vergeet ik wel vaker als ik in shock verkeer. Dit was onze geheime projectkamer en ik had helemaal geen bezoek verwacht en hallo, wie was deze meneer?
‘Mag ik hier even gaan zitten?’ vroeg hij.
‘Ehm, ja hoor,’ zei ik.
De man zette een computer aan en begon vrijwel meteen als een razende op z’n toetsenbord te rammelen. Hier klopte iets niet. De computers doen er namelijk minimaal een halve cappuccino over om op te starten en dat is dan nog als je heel veel geluk hebt. Ik vroeg me af of hij net alsof tiepte. Fake, zeg maar. Om mij te laten zien dat hij heel belangrijk was. Of misschien was het een hacker die nu hier nu ter plekke in het banksysteem inbrak en heel veel geld naar zijn bankrekening in Zwitserland overboekte. Oh shit, ik moest ingrijpen.
Ik zocht naar een voorwerp op mijn bureau. Om mee op zijn hoofd te slaan, nee, om in de prullenbak te gooien. Er was namelijk maar ??n prullenbak in de kamer en die stond precies achter zijn bureaustoel. Als ik daar nou eens terloops naar toe zou wandelen, dan zou ik een steelse blik op zijn beeldscherm kunnen werpen. En als ik dan iets verdachts zou zien, nou dan zou ik onmiddellijk de beveiliging inschakelen. De man zou geboeid worden afgevoerd en ik, ik zou de held zijn van de bank.
Op mijn bureau lag niets. Alleen een briefing, maar ja, als ik die weg zou gooien, dan kon ik niet verder. Ongemerkt probeerde ik de man te bestuderen. Voor later als ik aan de politie zou moeten beschrijven hoe hij eruit zag. Normaal postuur, dacht ik bij mezelf. Van westerse afkomst. Opmerkelijk was de hoeveelheid gel die de man in zijn haar had gesmeerd. Dikke donkere strengen zaten tegen zijn hoofd gekleefd. Ik vroeg me af hoe het zou klinken als je ??n zo’n streng los zou trekken en doormidden breken. Zou je dan krak horen.
Ik keek uit het raam. Nu ga ik iets tegen hem zeggen, dacht ik. Nu, nu, nu. Ik zeg gewoon dat ik Charlotte ben en dan vraag ik wie hij is. En wat hij hier doet. Dan moet hij wel! Aan de andere kant vond ik dat hij zich ook wel even had voor kunnen stellen. Ik zat er namelijk het eerst, hoor. Nogal onbeleefd om ergens gewoon binnen te stormen en zonder verdere mededelingen op je toetsenbord te gaan rammen. Maar goed, zo kwam ik ook niet verder. Ik haalde diep adem.
‘Ehm,’ zei ik.
De man keek op.
‘Ik denk dat ik even een cappuccino ga halen beneden,’ zei ik.
‘Goed,’ zei de man.
‘Kan ik soms iets voor je meenemen?’
‘Nee, dank je wel,’ zei de man.
‘Oh, ok?,’ zei ik.
Mamma mia, klonk het in mijn hoofd.
Here I go agai-ain.
Eerst hadden we werkoverleg want het was maandag. Het werkoverleg verliep een beetje in mijn nadeel, want ik had me namelijk voorgenomen nu eens niet heel lang mijn mond te houden als de webteambaas ging vragen wie er zou notuleren.
‘Wie gaat er notuleren?’ vroeg de webteambaas.
‘Ik,’ riep ik.
‘Ik,’ riep mijn collega tegelijkertijd.
‘Nou doe jij dan maar,’ zei ik.
‘Nee doe jij dan maar,’ zei mijn collega.
‘Nee, doe.. nou ok? dan,’ zei ik.
Ik spit in dit soort situaties dan altijd het onderdelf, h?. Aan de andere kant is notuleren wel weer leuk, want dan kom je er pas achter dat de mensen echt rare dingen zeggen tijdens zo’n werkoverleg en bovendien hoef je zelf niks te zeggen. Want hee! Je bent immers druk bezig met notuleren.
‘Dus wat is de status van dit en dat?’ vroegen we ons af bij actiepunt acht. Daarbij keken we allemaal verwachtingsvol naar collega M. We hadden namelijk gauw stiekem zijn naam achter actiepunt acht gezet toen hij vorige week ziek was.
‘Ja,’ zei collega M, die op dat moment zijn naam zag staan achter actiepunt acht.
‘Ik vind het leuk, maar wat is de status? Wat is de status? Ik weet het niet precies. Want is het eigenlijk wel uitgezocht?’
Zo kom je tijdens zo’n vergadering in een soort impasse terecht, waar je eigenlijk nooit meer uitkomt. Je kunt het wel proberen, maar in feite is het een soort van wachten tot het lunchtijd is en dan is het als notulist heel belangrijk dat je niet vergeet om het actiepunt in de notulen te laten staan tot de volgende week. Want anders verdwijnt zo’n actiepunt in het niets en dat is ook niet de bedoeling. Gelukkig werd het lunchtijd en los daarvan werden we de vergaderruimte uitgestuurd door iemand die erin wilde met nog een heleboel anderen.
‘Het is h??rlijk weer,’ zei ik tegen mijn collega’s.
‘Ik denk dat ik vandaag maar weer eens buiten ga lunchen.’
Dat was natuurlijk een smoesje. Dat van dat heerlijke weer was wel waar, maar dat komt omdat ik zelf in het vorige postje de lente heb aangezet. Ik wilde eigenlijk snel naar de eerste de beste kiosk om de Viva de halen, want daar zou ik in staan met een foto. Met een foto, dus h?!
Op de foto gaan en ik, wij zijn geen goed team. Ik kan er veel over zeggen, maar het komt erop neer dat ik er altijd heel stom op sta. Bijvoorbeeld alsof ik honderd ben of alsof ik aan de drugs ben of alsof ik iemand ben die altijd haar ogen dicht heeft. Terwijl dat dus allemaal niet aan de hand is.
Dus ik naar de kiosk. Bladeren in de Viva. Reeds op de eerste pagina keek in recht in mijn eigen stralende ogen. Ik stond daar met een zeer goed gelukt hoofd op de inhoudspagina. En vooral met zeer goed gelukte borsten! Groot en groen en ehm dinges. Maar het punt is: mijn borsten zijn niet groot en ook niet zo vaak groen en al helemaal niet dinges.
Het waren helaas ook niet mijn borsten, maar die van Luna. Ze hadden de borsten van Luna onder mijn hoofd geplakt en daaronder weer de benen van Merel, wat een, nou, zeg maar gerust bizar plaatje opleverde. Wat is er mis met mijn borsten vraag ik me weleens af. Maar nu snap ik het wel. Wat er mis is met mijn borsten is dat het niet de borsten van Luna zijn. Want de borsten van Luna, wow. Respect. Trouwens ook voor de benen van Merel, hoor! En dan met name vanwege het hoge levitatiegehalte.
Hoewel ik in real life gewoon m’n eigen borsten heb en jammer genoeg niet die van Luna, schoot het vanmorgen vlak nadat ik m’n schoenen aantrok op een verschrikkelijke manier in m’n rug. Zo verschrikkelijk dat ik al de hele dag genoodzaakt ben als een bejaard dametje voort te strompelen. Echt heel sneu voor mij.
‘Zal ik een hele harde duw op je rug geven?’ vroeg mijn vriend net.
‘Doe maar niet,’ zei ik.
‘Dan schiet het er misschien weer uit,’ zei hij.
‘Ehm, het ligt wel iets genuanceerder,’ zei ik.
Want zoals u weet ben ik een groot voorvechter van de nuance.
Het menu is helaas enigszins met het badwater weggespoeld. Maar dat komt wel weer goed. En ja, het vriest nog gewoon. Veel te koud voor slippers. Maar ik ben een optimist! Ik heb gewoon de lente aangezet!
Vroeger, dat was toch een mooie tijd. Toen wandelde ik nog in mijn slaap. Tegenwoordig blijf ik gewoon de hele nacht in bed liggen. Zo nu en dan zeg ik wat. Maar dat gaat meestal zo:
‘Bweuuewnw bweuuueh wbeuuuh.’
‘Wat zeg je?” (In ‘t geval dat er iemand naast me ligt, dan.)
‘Oh sorry, ik had het niet tegen jou.’
‘Tegen wie had je het dan?’
‘Ja, tegen iemand mijn droom natuurlijk.’
Vroeger werd ik dan bijvoorbeeld opeens halverwege de trap wakker. Of voor de boekenkast. Of op het balkon.
Ook een keertje bij de deur. Dat kwam zo. Ik droomde dat er iemand op de deur klopte, terwijl ik lag te slapen. Maar omdat ik lag te slapen, dacht ik: ga maar weer weg. Maar hij bleef maar kloppen en kloppen, gek werd ik ervan. Dus ik naar de deur.
‘Doe je de deur open,’ zei de klopper.
‘Wie ben jij’ zei ik.
‘Mijn naam is Gerardus Rooks,’ zei de klopper.
Toen werd ik wakker en stond er helemaal niemand voor de deur.
Mijn nieuwe pantoffels!
De eerste prijs is helaas niet gewonnen, want niemand had geraden dat het pantoffels van het merk Paul Frank met een apengezicht zijn.
Tweede prijs
Gijsch
JB Houxley
henk
Brian
Overige prijzen
Kleurenblind, maar wel binnen vier minuten geantwoord: odette
Omdat de opgestikte knielapjes wel moeten terugkeren in het straatbeeld: Ruben
Huh, hoe hou je je hoofd dan?: Eric
Vanwege de horrorfactor van stiksel op mijn buik: Annemarie
Het spel is dus dat u raadt wat er op the big picture staat en dat degene die het goed geraden heeft, hoera de eerste prijs wint. Merel mag niet meeraden, want die heeft al een Dutch Bloggie. Lcs mag ook niet meeraden, want ehm gewoon.
‘Er zijn grenzen aan de hoeveelheid exact dezelfde truitjes die je kunt kopen, Charlotte!’ zei mijn ene ik tegen mijn andere ik.
‘Nou nou nou nou,’ zei mijn andere ik. (Niet echt een sterk argument.)
Altijd als ik voor de spiegel in de paskamer sta, beginnen mijn ikken met elkaar te discussi?ren. Vermoeiend vind ik dat.
Maar het vreemdste is nog wel dat spiegels in alle paskamers op een bepaalde manier bewerkt zijn zodat het dan altijd net lijkt alsof ik een hele dikke kont heb. (En die heb ik dus niet.)
Wie er precies achter zit, dat weet ik niet. Maar het is een complot. Daar zijn al mijn ikken het over eens.
De lachers, dames en heren, ik heb ze op mijn hand. Helaas meestal niet op het moment dat ik een grapje maak – wat gelukkig niet zo vaak is, want ik hou helemaal niet van grapjes, het leven is een serieuze aangelegenheid – maar juist op de momenten dat ik de meest hartverscheurende tranentrekkende verhalen vertel. Dit op zichzelf is eigenlijk al een vrij schrijnende kwestie, want de vraag is: neemt men mij en mijn verhalen wel serieus?
Zo viel mijn waarde bankcollega M. tijdens de lunch een paar dagen geleden welhaast bijna van zijn stoel van het lachen toen ik over het droevige leven van mijn kat Floris vertelde en daarbij stikte hij ook nog bijkans in een hapje gebakken vis met ravigottensaus. Dat was helemaal niet de bedoeling van het verhaal en daarbij: als ik zeg tranentrekkend, dan bedoel ik dus niet tranen van het lachen, h?!
Het droevige aan het leven van mijn kat Floris is dat ze iedere dag minimaal een keer in elkaar wordt geslagen door de buurkaters die elk ongeveer drie keer zo groot zijn als zij en ook nog vele malen gemener en agressiever. Hoe ze het doen weet ik ook niet, maar het lijkt wel alsof de hele dag op de uitkijk zitten te wachten tot Floris een klein pootje buiten haar kattenluik zet en zodra ze dat doet, rennen ze – soms met z’n twee?n of z’n drie?n tegelijk – op haar af en wat er dan gebeurt, dat is gewoon te erg om aan te zien.
Meestal hoef ik dat ook niet, want dan speelt het zich af als ik er niet ben of als ik lig te slapen. Maar ik ben inmiddels erg goed geworden in sporenonderzoek en als ik beneden kom en ik tref daar grote plukken kattenhaar, diepe nagelkrassen in de vloer en allerlei van het aanrecht afgegooide dingen, nou dan weet ik al hoe laat het is.
Als ik wel getuige ben van een aanval van de buurkaters, dan is wat ik doe het volgende. Eerst ren ik naar het raam en daar bons ik dan heel hard op. Vervolgens klim ik razendsnel op een stoel. Van daaruit bezie ik de situatie. Die is dat de buurkaters ofwel afdruipen ofwel mij ietwat beledigd aanstaren ofwel gewoon doorgaan met het in elkaar slaan van Floris. Maar dan heb ik gedaan wat ik kon. Dit gedrag van mij klinkt misschien niet zo heldhaftig, maar ervaring en diepe vleeswonden in mijn benen hebben mij geleerd dat dit veruit de best te volgen strategie is.
Eerder dacht ik dat ik de oplossing had gevonden in het naar binnen lokken van Floris op momenten dat ik zelf naar buiten of slapen wilde. Ik deed dan het kattenluik op slot en zo waande ik haar veilig en beschermd. Maar de gemene buurkaters lachten mij en mijn gesloten kattenluik vierkant uit, ze namen een aanloop en braken er doorheen. Gewoon, zonder pardon, bam, kattenluik naar God. Dit ook om even helder te maken hoe robuust, respectloos en onbehouwen die katers dus zijn. Ik heb al drie keer het deurtje in het kattenluik moeten vervangen en nu doe ik dat ook niet meer, want het kost me handenvol geld. Het kattenluik is sindsdien feitelijk gewoon een soort gat in de deur, wat overigens weer funest is voor de energierekening.
Ik vermoed dat Floris nu zelf een oplossing heeft gevonden. Ik denk namelijk dat ze afgelopen vrijdagnacht op z’n minst een van de buurkaters heeft omgelegd. Ik heb daar een aantal redelijk sterke bewijzen voor die ik vrijdagmorgen heb verzameld, toen ik op weg naar de douche een waar bloedbad aantrof, pal voor het voorheen kattenluik waar dus meestal de gevechten plaatsvinden.
Bewijsstuk A: bloedsporen op de grond (close-up)
Bewijsstuk B: bloedspatten op de deur
Bewijsstuk C: bloedspatten onder het kattenluik
Op de plaats van het misdrijf is een ruime hoeveelheid bloed aanwezig, zoals u ziet. Het werd mij uiteraard direct koud om het hart. Ik dacht dat Floris het slachtoffer was geworden van een brute moord! Maar zo zie je maar weer dat je eigenlijk nooit moet afgaan op wat je denkt dat het meest voor de hand ligt. Floris zat gewoon op het aanrecht. Likkebaardend en al. Maar dat realiseerde ik me pas later, toen ik haar onderzocht en moest constateren dat het bloed niet van haar afkomstig was. Ze keek ook schuldbewust volgens mij, een beetje net zoals ze altijd kijkt als ze net alle kandelaars expres van de schouw heeft gegooid, omdat ze dat nou eenmaal gewoon leuk vindt.
Veel verder ben ik niet gekomen met mijn onderzoek. (Ja, ik moet ook nog gewoon werken enzo, hoor.) We hebben te maken met een moord, dat lijkt me duidelijk. Maar er is geen lijk. Opvallend is dat de buurkaters zich niet meer hebben vertoond sinds vrijdag. Dus of we hebben te maken met een meervoudige moord of de andere katers zijn voorgoed afgeschrikt door Floris de Verschrikkelijke, zoals ze bij de dierenarts staat geregistreerd. Hoe dan ook, de kans is aanwezig dat mijn huisdier in wezen een levensgevaarlijk monster is. Zo vervelend vind ik dat soort dingen altijd, dat je iemand denkt te kennen die dan plotseling toch heel anders in elkaar zit.
|
|