De mensen in mijn omgeving zijn nogal uitvliegerig de laatste tijd. Mijn broertje zat een tijdje geleden om de haverklap in Ruanda, mijn vriend ging dus naar Sydney, mijn ouders naar Frankrijk, mijn broer en het middelste zusje P. naar Tahiti, m’n andere broer naar Amerika en mijn collega naar Cuba. En dat allemaal tegelijkertijd. Eenzaam en verlaten bleef ik achter in het anders zo knusse Utrecht. Maar dat geeft niet. Ik ben gewoon niet zo’n globetrotter en gelukkig komen ze allemaal weer terug. Ooit.
Intussen ben ik tijdens mijn eigen mysterieuze afwezigheid van anderhalf jaar op dit weblog, volkomen en nogal neurotisch verslaafd geraakt aan Lost. En dan kun je wel zeggen dat ik dat gewoon met mijn voeten bij de verwarming op de bank met de Mac op schoot naar een serie zit te kijken, maar aan de andere kant heeft het toch iets exotisch. Met zo’n onbewoond eiland in een azuurblauwe zee en allemaal mensen die dus enigszins lost zijn – letterlijk en figuurlijk, daarom is het ook zo’n goeie titel – en een monster dat feitelijk alleen maar bestaat uit wat zwartige rook, maar dat toch heel bloedstollend eng is.
In Lost stort een vliegtuig neer op een eiland en probeert een setje overlevenden nu al vier seizoenen van dat eiland af te komen. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Al vanaf aflevering 1 zijn er allerlei obstakels en problemen. Zo is er dat rookmonster, maar ook blijken er op het eiland (ook al zei ik net nog dat het onbewoond was) nog andere mensen te wonen (ook wel the Others genoemd) die niet vanzelfsprekend het beste voorhebben met de mensen die daar gestrand zijn. Dan is er nog de onhandige bijkomstigheid dat het eiland qua co?rdinaten onvindbaar is voor anderen, behalve dan voor ongure types met kwade bedoelingen, zoals kill every single person on the island.
Als je eigen familie en vrienden maar hardnekkig blijven uitwaaieren over verschillende werelddelen, ga je haast als vanzelf de cast van Lost adopteren als je loved ones. Dat klinkt misschien zielig, maar zo is het nou eenmaal. Ik kan er ook niks aan doen. Ik kan me bijvoorbeeld zo’n vreselijke zorgen maken om Claire, die met baby en al voortdurend de neiging heeft om in zeven sloten tegelijk te lopen en die arme Jack die zich telkens maar weer geroepen voelt om het leed van alle eilandbewoners op zijn sterke schouders te torsen. Oh en toen dingetje (ik kan nu even niet op zijn naam komen, maar ik hield van hem als was het mijn broer) op zo een tragische wijze om het leven kwam, ben ik zeker twee dagen van slag geweest.
Maar goed, mijn lieve adoptievrienden zitten dus allemaal nog steeds vast op dat eiland en het lijkt er niet echt op dat ze er ooit allemaal en in levende lijve vanaf zullen komen. Er zijn er weliswaar al een paar op het vaste land gesignaleerd, maar dat zijn er maar zes en voor wat de rest betreft zit er niet echt schot in de zaak. En de seizoensfinale is alweer in zicht. Je kunt ook zo verdomd weinig d?en voor die mensen als je met je voeten bij de verwarming op de bank met de Mac op schoot naar een serie zit te kijken. Ik kan me daar verschrikkelijk machteloos door voelen.
Mijn vriend en ik namen een makelaar omdat we huis wilden kopen en twee huizen verkopen. Dat ging zo. Eerst kwamen we toevallig een makelaar tegen. ‘Ah, zullen we die nemen,’ zei ik tegen mijn vriend. ‘Ja, die nemen we,’ zei mijn vriend. Zo gezegd, zo gedaan.
Er zijn een paar dingen belangrijk aan een makelaar: hij moet niet onder zijn oksels ruiken, hij moet niet aan de drugs zijn en hij moet een vlotte babbel hebben. Normaal ben ik niet zo gek van mannen met vlotte babbels, maar bij een makelaar vind ik het wel op zijn plaats.
Onze makelaar voldoet aan alle bovenstaande eisen en bovendien heeft hij een uitermate vriendelijke uitstraling. Ik weet dan ook niet of we het met hem gaan redden. Uiteindelijk wil je toch iemand die zich als een soort getrainde pitbull in de zaak vastbijt en niet iemand die vrolijke lunchafspraken maakt met de tegenovergestelde makelaar in werktijd.
‘Hallo! Het is de vijand!’ wilde ik nog roepen, maar toen dacht ik: laat maar. Het zou immers zomaar een sluwe strategie kunnen zijn, waarmee onze makelaar iedereen – inclusief mijzelf, wat daar dan de gedachte achter is snap ik ook niet precies – om de tuin leidt. Makelaars houden zich namelijk voortdurend bezig met sluwe strategie?n en zo weet je eigenlijk nooit of je nu gewoon een babbeltje aan het maken bent of dat je zojuist een zet hebt gedaan in het zenuwslopende schaakspel waarin je als vanzelf verzeild raakt als je je op de huizenmarkt begeeft. Maar goed, ik heb er nooit meer iets van gehoord, dus het zal toch wel een geval zijn geweest van ouwe makelaars krentenbrood.
Behalve een uitermate vriendelijke uitstraling, heeft onze makelaar een soort ziekelijke fascinatie voor kelders. Ik weet niet of dat wat met elkaar te maken heeft en ik weet ook niet of alle makelaars deze wonderlijke eigenschap bezitten. Zodra we een huis betreden informeert onze makelaar naar de kelder en wil hij er ook in, met de hele groep. Ik heb zelf niet zoveel met kelders, dus ik zeg meestal nou neuh, maar op de een of andere manier weet hij me toch altijd die kelder in te lokken. Het is een talentje, hoor, wat dat betreft.
Een huis aanschaffen an sich blijkt moeilijker dan ik dacht. De meeste huizen waarin ik wel zou willen wonen staan niet te koop en vice versa. ‘Het is een kwestie van geduld hebben en op het juiste moment toeslaan,’ zegt onze makelaar met zijn uitermate vriendelijke uitstraling. Afijn, dat moeten we dan nog maar eens zien.
Als ik op dinsdag thuiskom, is niets meer zoals het was en ben ik cruciale zaken in mijn huishouden kwijt, zoals de schaar en het zoutvat. Maar dat is normaal. Het is nu eenmaal een ding van werksters om alles te verplaatsen, zeiden ze op mijn werk. Dan zie je dat ze zijn geweest. Persoonlijk zie ik ook wel dat ze zijn geweest aan dat de veertig euro die op tafel lagen weg zijn, maar goed, ik wil me best conformeren aan de gebruikelijke omgang met werksters. Alleen heb ik het idee dat het bij mij thuis tamelijk uit de hand begint te lopen.
Ga ik op woensdag onder de douche, staat alles wat bij de wastafel hoort op de badrand en alles wat op de badrand hoort ergens anders (niet per se bij de wastafel). Dat is niet zo erg, maar toch eigenlijk wel. Want als ik ‘s morgens mijn haar wil wassen, dan wil ik gewoon mijn haar wassen en niet eerst in mijn nakie het hele huis doorzoeken, omdat die bloody werkster heeft bedacht dat het gootsteenkastje de ideale plek is om de shampoo op te bergen.
Maar die verplaats-tic is niet het ergste. Sinds er een werkster in mijn leven is, heb ik al twee keer een nieuwe stofzuiger gekocht. De eerste was na een week spontaan onherstelbaar kapot, de tweede heb ik kunnen repareren. In die zin dat ik ging kijken wat hem dwarszat en in de stofzuigerzak de inhoud van een hele zak chips (die ik trouwens kwijt was) ?n een gedeelte van de lege chipszak vond. Maar erger nog: halverwege de slang zat mijn favoriete lippenstift (die ik ook kwijt was) stuck. De werkster gebruikt een stofzuiger dus niet alleen om te stofzuigen, maar ook gewoon om zaken die ze onderweg tegenkomt weg te werken.
Mijn werkster neemt haar kindje mee en het kindje van de werkster heeft ook zo haar hobby: dingen uit het raam gooien. Ze gaat bijvoorbeeld op zoek naar tampons om het plasticje eraf te halen en ze vervolgens uit het raam te gooien. Ze haalt iets antieks uit elkaar en gooit de onderdelen uit het raam. Ze demonteert een Labello, smeert de inhoud op de spiegel en gooit het omhulsel uit raam. Als er op mijn stoep een keur aan merkwaardige voorwerpen op een hoopje ligt, dan weet ik dat de werkster is geweest. En als het kindje van de werkster daar allemaal mee klaar is, eet ze een paar likeurbonbons, verstopt mijn autopapieren, pakt een balpen en tekent poppetjes op de tafel.
Maar het meest frustrerende is nog wel wat het kindje van de werkster doet met de apparatuur in mijn huis. Laatst vond ik een hele serie artistieke foto’s op mijn camera, allemaal van mijn huiskamer, maar met een heel apart perspectief. Pas toen ik er een afbeelding van een kindervoet tussen ontdekte, begreep ik wat er was gebeurd. Waar ik mijn laptop ook verstop, als ik op dinsdag thuiskom ligt hij steevast op de bank en hebben de documenten op mijn bureaublad namen als [[[[[[dkek=\\==-0ekkllll.doc. Laatst had ik een potentieel huis in het centrum van Utrecht bekeken en toen ik terug wilde rijden, stuurde mijn TomTom me tot mijn grote verbazing de ringweg op. Bleek mijn thuislocatie op het ziekenhuis in Nieuwegein te staan.
Ik zweer het. Ze willen me gek maken.
Het was een prachtig afscheid, maar niet heus. Eerlijk gezegd zijn mijn vriend en ik allebei niet zulke sterren in romantisch met elkaar doen, maar het verschil is dat ik nog wel bereid ben er enige efforts in te steken om het in elk geval ergens op te laten te lijken en hij helemaal niet. Toen hij vorige week zei dat-ie me misschien best ging missen, viel ik dan ook eerst van de bank van verbazing en toen heb ik heel hard met mijn pink in mijn oor geduwd omdat ik dacht er misschien iets inzat, waardoor ik heel andere woorden hoorde dan hij zei.
Maar die opmerking – ik geef toe, qua romantiek laat-ie nog te wensen over, maar het was een begin – had mij hoop gegeven voor het daadwerkelijke afscheid, dus ik had de tijd genomen om het goed voor te bereiden. Ik had zelfs een paar zinnetjes geoefend onder de douche. Het leek me dan zo leuk als we elkaar voor het douanepoortje stevig en langdurig zouden omhelzen, dat ik hem zou aankijken en mijn zinnetje zeggen, terwijl de tranen in mijn ogen blonken, maar ik me dapper vermande. Zijn reactie zou liefdevol en recht uit het hart zijn, want ik had het niet aangedurfd om van tevoren het script met hem door te nemen.
Waar het op neerkwam was dat mijn vriend vanaf het moment dat we op Schiphol aankwamen zijn uiterste best deed me zo snel mogelijk te lozen, terwijl ik hem op mijn beurt geen moment uit het oog verloor en achter hem aan holde dwars door de mensenmassa heen. Eerst hij had hij nog een handicap (grote koffer), maar toen hij die kwijt was, was hij duidelijk in het voordeel, want ik had hakken en hij gympies. Hij vertrouwde daarbij waarschijnlijk ook op mijn grote talent overal waar ik kom te verdwalen, want hij nam bizarre routes, schoot onder hekjes door, doorkruiste een groep Chinezen en sprintte trappen op zodra hij er eentje zag.
Na het inchecken kon ik hem er nog net van weerhouden meteen door de douane heen te glippen, maar alleen door voor hem te gaan staan en te gebieden: We Gaan Koffiedrinken. Dat Is Normaal. Ik wilde er nog aan toevoegen dat hij weken aan de andere kant van de wereld zou zijn, waar het dag is als het hier nacht is en dat we als we ons eenzaam voelen, niet eens dezelfde sterrenhemel kunnen zien. Maar dan had hij me echt uitgelachen en bovendien: ik kijk in Utrecht echt nooit naar de sterrenhemel, ook niet als ik me eenzaam voel, dus zoveel maakt dat nou ook weer niet uit.
Anyway, we dronken een klein kopje cappuccino dat ongeveer honderd euro kostte en bespraken de komende weken en hoe we die, zover van elkaar verwijderd, door zouden brengen. Ik prevelde er af en toe Haring 38 doorheen, want daar stond mijn auto en ik was zo bang dat als ik er straks eenmaal alleen voor zou staan, ik urenlang reddeloos verloren door de hallen van Schiphol zou dwalen, niet in staat om ooit nog de goeie verdieping in de goeie parkeergarage te vinden.
‘Loop je helemaal mee,’ vroeg mijn vriend nog argwanend. ‘Ja,’ zei ik, want in de verte zag ik het poortje van de douane al dat het decor moest zijn van mijn ingestudeerde afscheid en dat liet ik me nu niet meer door de neus boren. Maar in mijn fantasie vormden wij twee?n het stralende middelpunt en waren er slechts een paar toeschouwers die geroerd zouden staan kijken naar ons innige moment. In de werkelijkheid stond er een onoverzichtelijke berg mensen die de weg naar het poortje versperde, duwden er allemaal reizigers van verschillende nationaliteiten en twijfelachtig allooi met hun bagage tegen ons aan en renden er de hele tijd schreeuwende kinderen om ons heen.
Plots dook er een mevrouw in een lichtgevend geel hesje op die om tickets vroeg en flitste het door me heen dat ik die niet had. ‘Wacht! Ik mag niet verder!’ riep ik in paniek. Mijn vriend was al een paar meter meegevoerd door de massa en worstelde zich een weg terug. Ik klom over een voltallige Koreaanse familie, greep hem bij z’n nek en probeerde me mijn tekst te herinneren, maar het enige dat in me opkwam was Haring 38. ‘Dag liefje, ik zal je missen,’ zei mijn vriend en hij gaf me een kus en ik liet hem los en daar ging hij.
Mijn collega zei dat ze me de laatste tijd behoorlijk blogloos vond en dat vond ze nogal verdacht. Daar had ze een punt natuurlijk, maar bovendien gaf ze me de evil eyes en oi oi oi. De evil eyes van mijn collega zijn de beste evil eyes die ik ken. Dus daar ben ik weer.
Voor de liefhebbers een korte update.
- Mijn badkamer is verbouwd, maar het is mislukt. Het bubbelbad is lek.
- Ik zoek een huis in het centrum van Utrecht met een grote woonkeuken en tuin.
- Laatst heb ik een lied gezongen en dat is opgenomen op een cd.
- Ik was op vakantie in Costa Rica en daar is het mooi, maar wel erg regenachtig.
- Mijn werkster en haar dochter proberen me gek te maken, maar het is tot nu toe nog niet gelukt.
- De kleine poes vangt iedere dag 10 tot 12 sokken, brengt ze om het leven en legt ze op de deurmat.
- Morgen zet ik mijn vriend op het vliegtuig naar de andere kant van de wereld.
- Hier is het lente en daar is het herfst, maar dat komt ongeveer op hetzelfde neer.
Oftewel: de
bij mijn nieuwe koelkast.
(deel 1, deel 2)
Ik keek nog eens goed. Dit was niet Floris. Dit was niet eens een kat die ik kende. Het was een wildvreemde kat. En een wildvreemde kat, die ging ik natuurlijk niet mee naar huis nemen. Bovendien wilde ik een jonkie.
‘Hebben jullie ook jonkies? vroeg ik.
‘Loop maar even mee,’ zei het meisje weer.
We gingen naar de kittens, want zo heten ze in het echt. Ze hadden er acht op dat moment. En ze deden wat kittens doen: schattig zijn. En zich verstoppen.
Hiervan ga ik er eentje meenemen, floepte in mijn hoofd. Maar toen dacht ik aan die dikkerd, zeg maar de nep-Floris. Die zo intens gelukkig en hoopval naar me keek, toen ik mijn hand uitstak. Ze zat er al maanden en geen eigenaar die haar op kwam halen.
Er bekroop mij een gevoel. Het was een schuldgevoel.
deel 1
Ik had het huis versierd met slingers. De lekkerste kattenbrokjes ingeslagen, special voor de seniorkat. Het was het moment dat ik een goede poezenmoeder zou worden, Floris en ik zouden elkaar op onze oude dag echt gaan waarderen, we zouden een hechte band krijgen en ons niet meer ergeren aan elkaar en elkaar ook niet meer voor gestoorde gekken uitmaken. Ze zou me nooit meer hoeven te verlaten.
‘Goedemorgen,’ zei ik tegen de juffrouw van het dierenasiel.
‘Ik wilde graag mijn kat ophalen. Jullie noemen haar Mickey (ook niet echt een meisjesnaam trouwens en bovendien meer iets voor een muis), maar ze heet natuurlijk Floris en het spijt me dat ik haar uit het oog ben verloren, maar het was niet expres en ik beloof dat ik haar nooit meer kwijt zal raken en ik hoop dat ze vanaf nu ook niet meer bij me weg wil, nu ze de ontberingen van het asiel heeft moeten doorstaan.’
Ik keek om me heen. Het zag er helemaal niet uit alsof de dieren hier veel ontberingen hadden. Naast de balie was een heel groot raam en achter dat raam zaten allemaal katten te blaken van gezondheid. Het was een soort huiskamer, maar dan voor katten met diverse kussentjes en hoekjes en gezellige mandjes. Als je te lang keek, keek er een kat terug, zo van: ik hoop niet dat je hier bent om me op te komen halen, want ik vind het hier wel best zo. Waar waren de schriele scharminkels met kale plekken en halve staarten, die je zou verwachten in een asiel? Waar was de boze asielbaas die de katten die niet op tijd werden opgehaald een spuitje zou gaan geven? Ik zag hem niet.
‘Loop maar even mee,’ zei het meisje dat er opeens was.
‘Dan gaan we naar het kattenverblijf.’
De kattenhuiskamer achter het raam met al die intens tevreden katten was blijkbaar niet het kattenverblijf. We liepen naar een andere kamer waar het zo mogelijk nog genoeglijker was dan in de kattenhuiskamer. Overal lagen katten te spinnen alsof het hun baan was. Drie katten deden ??n oog half open toen ik binnenkwam. Eentje ging zelfs rechtop zitten. De rest negeerde me volkomen.
Het meisje keek rond. Toen liep ze vastberaden naar een soort overdekt mandje. Ze klopte er een paar keer op. Er gebeurde niks. Ze klopte nog eens. Met veel gesteun en gezucht kwam er een half poezengezicht te voorschijn. Ze knipperde eens met haar ogen en maakte toen aanstalten om de rest van haar lijf ook naar buiten te verplaatsen. Ik keek naar het meisje.
Wat heeft dit te betekenen, wilde ik vragen, maar dat durfde ik niet.
‘Dat zou dus Floris moeten zijn,’ zei het meisje.
‘Floris moeten zijn,’ zei ik.
Ik bestudeerde haar gezicht. Het zag er niet naar uit dat ze een grapje maakte. Nu hebben de fanatieke dierenliefhebbers vaak maar weinig gevoel voor humor, dus ik had ook niet echt grapjes verwacht en bovendien erg ongepast gevonden in de gegeven situatie. Toch wachtte ik tot ze er aan toe zou voegen:
‘Haha! Gefopt!’
En dat ze dan alsnog de echte Floris uit een geheime la zou toveren.
Maar dat deed ze niet.
Ik stak mijn hand uit naar de poes die zojuist geheel en volledig uit het mandje was gekomen. Ik krabde op haar kop. Ze zeeg ineen, grommend van genot. Als ik dat bij Floris had geprobeerd, was ik nu een arm kwijt.
‘Dit is mijn kat helemaal niet,’ zei ik.
‘Deze is heel dik.’
« Vorige Pagina |
Toon berichten 9-16 van 470 |
Volgende Pagina »